| Artikel | Gebruik | Voorbeelden |
|---|---|---|
| de | mannelijk + vrouwelijk (~75%) | de dinosaurus · de vitrine · de zaal |
| het | onzijdig (~25%) | het ei · het museum · het licht |
🇫🇷 Il faut mémoriser ! Environ 75% des mots utilisent "de".
| Persoon | zijn | hebben |
|---|---|---|
| ik | ben | heb |
| jij/je | bent | hebt |
| hij/zij/het | is | heeft |
| wij/zij | zijn | hebben |
🇫🇷 ik ben / ik heb · hij is / hij heeft — les 4 formes prioritaires !
| NL | FR | Voorbeeld |
|---|---|---|
| in | dans | Het ei is in de vitrine. |
| op | sur | Het boek ligt op de tafel. |
| onder | sous | De kat zit onder de stoel. |
| naast | à côté de | Jean staat naast de deur. |
| achter | derrière | Het ei is achter de kast. |
Het is zaterdagochtend. Het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel opent. 🏛️
Jean is de bewaker. Hij loopt door de zalen. In zaal 4 staat een glazen vitrine. In de vitrine ligt een dinosaurusei van 70 miljoen jaar oud! 🥚
Maar vandaag is de vitrine open... en het ei is weg! 😱
Er zijn drie verdachten: 👧 Sofia (een meisje van 10 jaar) · 👨🔬 Meneer Dupont (wetenschapper) · 🧹 Carlos (schoonmaker, als laatste in zaal 4)
de vitrine · de bewaker · de zaal · de deur | het ei · het museum · het licht
🇫🇷 Clique sur "de" ou "het" pour chaque mot ci-dessous.
Jean zoekt het ei. Hij kijkt in de vitrine — leeg! Hij kijkt onder de tafel — niets! Hij kijkt achter de kast — niets!
Dan hoort Jean een geluid: "Krak! Krak!" 👂
Het geluid komt van achter de grote dinosaurusfiguur. Jean loopt erheen... en ziet een kleine groene dinosaurus! 🦎
Het ei is niet gestolen — het ei is uitgebroed!
Sofia staat naast de vitrine en kijkt verbaasd. 👧
Jean vraagt aan de verdachten:
👧 Sofia: "Ik ben 10 jaar. Ik heb het ei niet aangeraakt!"
👨🔬 Dupont: "Ik ben wetenschapper. Ik heb een sleutel. Maar ik heb het ei niet meegenomen!"
🧹 Carlos: "Ik heb de zaal schoongemaakt. De vitrine was open. Maar het ei was er nog!"
Jean lacht: "Niemand heeft het ei gestolen. Het ei heeft zichzelf bevrijd!" 🦕😄
🎉 De baby dinosaurus heet nu Dino Junior. Hij is klein en groen. Hij woont in zaal 4. Het museum is blij!
Schrijf 3 zinnen over de zaak. Gebruik: de/het · in/op/onder/naast/achter · is/heeft/ben/heb
• Het ei was in de vitrine.
• De kleine dinosaurus is groen.
• Het museum heeft een baby dinosaurus.